Gemeentelijk minimabeleid in relatie tot het Abonnementstarief Wmo

1 juli 2019,  

In 2019 is het Abonnementstarief Wmo geïntroduceerd. Een vast tarief voor iedereen die gebruik maakt van ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Het belangrijkste doel van het abonnementstarief is het terugdringen van stapeling van zorgkosten.

1. Stapsgewijs ingevoerd
In 2017 werd in het regeerakkoord[1] het Abonnementstarief aangekondigd. Met ingang van 2019 zijn de parameters van de huidige eigen bijdrage systematiek zodanig aangepast dat het overeenkomt met het toekomstige Abonnementstarief. De te betalen bijdrage wordt niet langer bepaald door de hoogte van het inkomen. Middeninkomens profiteren daarvan relatief het meest. Voor minima is er geen effect omdat het Abonnementstarief gelijk is aan de minimale eigen bijdrage zoals die al voor hen gold. Om ook minima te laten profiteren moet de stapeling van kosten worden tegengegaan. Om ook dit te realiseren was een wetswijziging nodig. De Wet Abonnementstarief Wmo[2], die de Wmo 2015 op dit punt wijzigt, is op 23 april 2019 door Eerste Kamer aangenomen.

2. Abonnementstarief vanaf 2020
Uitgangspunt voor het Abonnementstarief is dat de bijdrage voor het gebruik van Wmo ondersteuning onafhankelijk is van het inkomen en in principe nooit hoger is dan € 19,- per maand. Dit geldt zowel voor gehuwden als ongehuwden. Op dit uitgangspunt zijn enkele uitzonderingen, waardoor de bijdrage toch hoger kan uitvallen of deels inkomensafhankelijk kan zijn.

2.1 Onderscheid tussen algemene voorzieningen
Een algemene voorziening is aanbod in het kader van de Wmo dat in principe zonder individuele indicatie beschikbaar is voor alle inwoners met een bepaalde ondersteuningsvraag. Denk hierbij aan algemeen welzijnswerk. Voor dergelijke voorzieningen mag een bedrag worden gevraagd van meer dan 19,- per maand maar mag de werkelijke kostprijs niet te boven gaan. Deze bijdrage wordt geint door de aanbieder van de algemene voorziening.

Daarnaast benoemt de wet zogenaamde ‘aangewezen’ algemene voorzieningen. Voor deze voorzieningen (of een combinatie daarvan) geldt dat de te betalen bijdrage nooit hoger mag zijn dan € 19,- per maand. De gemeente heeft de vrijheid in de verordening aan te geven welke voorzieningen dit betreft. Algemene voorzieningen waarvoor met een individuele cliënt een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan, moeten in ieder geval worden aangewezen in de verordening. Denk aan vormen van begeleiding of huishoudelijke ondersteuning die als algemene voorziening worden aangeboden.

2.2 Uitzonderingen bij maatwerkvoorzieningen
Ondersteuning die door middel van een individuele indicatie wordt toegekend aan een individuele cliënt geldt als maatwerkvoorziening. Het kan gaan om een voorziening in natura of een Persoonsgebonden budget. Hiervoor geldt dat de te betalen bijdrage nooit hoger is dan € 19,- per maand en de werkelijk kostprijs niet te boven gaat. Uitzonderingen op de regel zijn Beschermd wonen en Opvang. Voor deze voorzieningen mag een hogere bijdrage worden vastgesteld en mag bovendien de hoogte van het inkomen worden meegewogen. Nadere regels hiervoor worden bepaald in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die later dit jaar wordt vastgesteld.

2.3 Stapeling algemene en maatwerk voorzieningen
Een van de doelstellingen van het Abonnementstarief is het voorkomen van stapeling van kosten. Daarom is bepaald dat de totale bijdrage bij gecombineerd gebruik van aangewezen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen nooit hoger mag zijn dan € 19,- per maand. Een bijdrage voor een niet-aangewezen algemene voorziening kan wel degelijk worden opgeteld bij het Abonnementstarief. Ook de nog te bepalen (inkomensafhankelijke) bijdrage voor Beschermd wonen en Opvang kan bovenop het Abonnementstarief komen. Daarmee wordt het voorkomen van stapeling maar ten dele gerealiseerd. Het Abonnementstarief, inclusief de bijdragen voor aangewezen algemene voorzieningen, wordt geint door het CAK. De bijdragen voor Beschermd wonen, Opvang en niet-aangewezen algemene voorzieningen kunnen op een andere wijze worden geïnd. Nadere regels hiervoor volgen in een AMvB.

3. Minimabeleid
Het wordt gemeenten toegestaan om in de verordening te bepalen dat het Abonnementstarief op een lager bedrag wordt vastgesteld voor alle gebruikers. Daarnaast wordt het mogelijk om voor bepaalde inkomensgroepen het Abonnementstarief op nihil te stellen. De inkomensgrenzen die hierbij worden gehanteerd worden vastgelegd in een AMvB. Daarmee is de vrijheid van gemeente feitelijk beperkt tot het wel of niet toepassen ervan. De gemeente gaat niet over de inkomensgrens zelf. Hoewel de AMvB nog niet is vastgesteld, is de verwachting dat deze mogelijkheid neerkomt op het voeren van minimabeleid waarmee deze doelgroep kan worden vrijgesteld van het betalen van een Abonnementstarief.

4.1 Financieel effect voor gemeenten
Het lager vaststellen van het Abonnementstarief, dan wel het op nihil stellen voor een specifieke inkomensgroep, heeft een direct effect op de inkomsten voor gemeenten. Bovendien komt het bovenop de inkomstenderving als gevolg van de invoering van het Abonnementstarief. Dit wordt weliswaar voor ongeveer de helft gecompenseerd door een hogere Rijksbijdrage, maar moet voor de andere helft binnen de gemeentelijke begroting worden opgevangen. Daarbij is nog geen rekening gehouden met een mogelijk hogere zorgvraag. Hiermee wordt rekening gehouden nu de te betalen bijdrage geen drempel meer vormt om een beroep te doen op ondersteuning vanuit de Wmo.

5. Alternatief voor compensatie van minima
Met de invoering van het Abonnementstarief worden vooral middeninkomens tegemoetgekomen. Voor minima heeft het nauwelijks tot geen effect. Alleen het feit dat de bijdrage voor aangewezen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen niet meer mag worden gestapeld, kan gunstig zijn voor minima.

Als alternatief voor het op nihil stellen van het Abonnementstarief voor minima, kan een gemeente ervoor blijven kiezen het opnemen van een dekking in de Gemeentepolis. Het voordeel voor de gemeente is dat het niet ten koste gaat van inkomsten. De verzekerde wordt wel volledig gecompenseerd. Het verzekerd bedrag hoeft niet groter te zijn dan € 228,- (12x € 19,-). Wanneer gemeenten ook dekking wensen voor bijdragen in het kader van Beschermd wonen, Opvang of de WLZ, dan is een verzekerd bedrag van € 228,- niet voldoende. Deze eigen bijdragen kunnen aanzienlijk hoger zijn.

 

[1] Regeerakkoord: Impact op zorg en sociale zekerheid

[2] Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Tags
Algemeen Wmo